
Hoe wok je in een RVS wokpan? Tips tegen plakken
/ bijgewerkt op , 2 min lezen

/ bijgewerkt op , 2 min lezen
Wokken in een RVS wokpan geeft veel smaak, mooie garing en knapperige groenten. Toch vinden veel mensen het lastig. Ingrediënten blijven plakken, de pan lijkt te heet of groenten worden eerder slap dan krokant. Dat komt meestal niet door de pan, maar door de techniek. Een RVS wokpan werkt anders dan een wok met antiaanbaklaag. Met de juiste temperatuur en volgorde wordt wokken in RVS juist heel prettig.
Een RVS wokpan heeft geen antiaanbaklaag. Daardoor moet je zelf zorgen voor het juiste bakmoment. Dat begint met goed voorverwarmen.
Wanneer RVS heet genoeg is, ontstaat er een natuurlijk loslaateffect. Ingrediënten bakken dan mooi aan zonder direct vast te plakken. Begin je te vroeg, dan is de pan nog te koud en blijft vooral kip, vlees, vis of tofu sneller aan de bodem kleven.
Wokken gaat snel. Snijd daarom eerst alle ingrediënten en zet olie, kruiden en saus klaar voordat je de pan verwarmt.
Dep vlees, vis, tofu en groenten goed droog. Te veel vocht zorgt ervoor dat de temperatuur in de pan daalt. Dan ga je eerder stoven dan wokken, en worden groenten sneller slap.
Zet de lege wokpan op middelhoog tot hoog vuur. Bij inductie is de hoogste stand meestal niet nodig; vaak is 70 tot 80 procent van het vermogen voldoende.
Gebruik de druppeltest om te controleren of de pan heet genoeg is. Laat een paar druppels water in de droge pan vallen. Verdampen ze meteen, dan is de pan vaak nog niet klaar. Dansen de druppels als kleine bolletjes over de bodem, dan is de wokpan goed op temperatuur.
Zet daarna het vuur iets lager en voeg olie toe. Gebruik bij voorkeur een neutrale olie die geschikt is voor hoge temperaturen, zoals arachideolie, rijstolie of zonnebloemolie.
Doe niet te veel tegelijk in de pan. Een volle wok koelt snel af, waardoor ingrediënten vocht loslaten en minder goed bakken.
Bak liever in porties. Begin bijvoorbeeld met kip, vlees, tofu of garnalen en haal die daarna even uit de pan. Wok vervolgens de groenten en voeg alles aan het einde weer samen met de saus.
Zo blijft de temperatuur hoog en krijgen je ingrediënten meer smaak.
Begin met ingrediënten die de langste gaartijd hebben. Stevige groenten zoals wortel, broccoli of sperziebonen gaan eerder in de pan dan zachte groenten zoals paksoi, courgette of paprika.
Knoflook, gember en kruiden voeg je pas later toe. Die verbranden snel in een hete wok. Saus gaat als laatste in de pan, zodat je gerecht niet waterig wordt.
Bij wokken schep je de ingrediënten regelmatig om, maar geef ze ook kort contact met de hete bodem. Juist dat contact zorgt voor kleur en smaak.
Roer je te veel, dan bakken ingrediënten minder goed aan. Roer je te weinig, dan kunnen ze verbranden. Wokken is dus vooral: kort bakken, omscheppen en weer kort laten bakken.